Interieur en Orgels

 

Interieur en orgels

  • Altaren

Naast het huidige hoofdaltaar heeft de kerk nog een Maria- en een Jozef-altaar gehad. Deze bevonden zich bij de deur van de zij-ingang en de deur naar de sacristie. Rechtsachter in de kerk bevond zich een Antonius-altaar. Priesters die met vakantie in Heeten waren, droegen aan een zij-altaar vaak een H. Mis op.

Het neogotische hoofdaltaar uit 1899 is uitgevoerd in marmer en zandsteen en is een schepping van Friedrich Wilhelm Mengelberg. De voorzijde van de altaartafel is door twee roodmarmeren kolonetten (zuiltjes) op de hoeken en tweemaal twee kolonetten in het midden in drie velden verdeeld. Op deze velden zijn achterglas schilderingen aangebracht met de volgende afbeeldingen: Het offer van Isaäk, Maria en Johannes onder het kruis en het offer van Abraham en Melchisedech.

 

Ook staat op de deur van het tabernakel een achterglasschildering. Hier kondigt de aartsengel Gabriël Maria de geboorte van Christus aan. Boven het tabernakel bevindt zich een expositietroon in de vorm van een grote nis met fialen (siertorentjes). In het altaartafel bevindt zich een marmeren altaarsteen. Binnen in deze steen is weer een kleinere ruimte waarin zich relikwieën (voorwerp dat met een lichaamsdeel van een heilige in aanraking is geweest) van de H. Castor en de H. Candidus bevinden. Het altaar is destijds geschonken door een parochiaan.

De overige drie bovenvermelde altaren zijn niet meer in de kerk aanwezig. Wel zijn de fraaie panelen van die altaren bewaard gebleven. Het betreffen twee drieluiken en een enkelvoudig paneel die zijn ontworpen door Gustaaf van Kalcken en vervaardigd door J. Verlinden in Haarlem.

 

 

 

 

Een uitvergroting van de achterglasgeschilderde panelen van het hoofdaltaar.

 

  • Elberink orgel

Volgens de archieven is het orgel oorspronkelijk gemaakt in 1829 door C.F.A. Naber, orgelmaker te Deventer (* 1797 te Teckelenburg (Dld.), † 1861 te Deventer). Het was een éénklaviersorgel, zoals men deze in de eerste helft van de negentiende eeuw in veel dorpskerken aantrof. Het kan niet worden uitgesloten dat Naber bij de bouw van het instrument gebruik heeft gemaakt van een bestaande windlade en deels van bestaand pijpwerk. De thans nog bestaande holpijp 8 vr van het Manuaal dateert in elk geval van vóór de periode Naber. Bovengenoemde bestaande delen zijn – gezien gebleken overeenkomsten- mogelijk vervaardigd door de orgelbouwer J. D. Nolting.

Rond 1870 was het door Naber gebouwde orgel aan restauratie toe. Deze restauratie is destijds uitgevoerd door  orgelbouwer G. Elberink uit Oldenzaal (* 1825 te Geesteren, † 1897 te Enschede). Zijn werk kenmerkt zich door Westfaalse invloeden, en hij schaafde nog op klassieke wijze de platen voor zijn frontpijpen, in plaats daarvoor gewalst metaal te gebruiken.


Het orgel na de restauratie in 2000.

 

Toen in 1892 in Heeten het huidige kerkgebouw werd opgeleverd, is het orgel van de oude naar de nieuwe kerk overgebracht. Daarna is het orgel waarschijnlijk ongewijzigd gebleven tot de tweede wereldoorlog. Wel heeft het kerkbestuur destijds in 1939 een elektrische windmachine laten plaatsen. Vanwege oorlogsschade aan de kerk werd het orgel blootgesteld aan weer en wind, en liep daardoor dusdanig veel schade op dat deze niet meer te gebruiken was.

In 1946 kreeg de fa. J.J. Elbertse en Zoon uit Soest van pastoor J. de Graaff opdracht om het orgel te herstellen. Helaas bleken veel onderdelen niet meer voor reparatie in aanmerking te komen, waaronder de kas. Toch zag deze firma kans het instrument weer bespeelbaar te maken en beschadigd pijpwerk te vervangen. Tijdens het 25-jarig priesterfeest van pastoor De Graaff op 1 juli 1947 kon er weer worden gespeeld. Mede vanwege de tijdsgeest is bij die restauratie de dispositie enigszins gewijzigd. De Viola di Gamba 8 vt van het Bovenwerk moest wijken voor een Prestant 8 vt en op de plaats van de Vox Angelica 8 vt kwam een Sesquialter 2 sterk te staan.

Dankzij het archief van de fa. Elbertse is ook nog de oorspronkelijke dispositie van rond 1870 bekend:

 

In de periode daarna ging de technische toestand van het orgel – ondanks regelmatig  

onderhoud- steeds meer achteruit. De windladen werden lek vanwege het moderne

verwarmingssysteem in de kerk, en ook de mechaniek vertoonde speling. Rond 1969

zijn er plannen geweest om het orgel naar beneden te plaatsen, met name vanwege

de liturgische veranderingen. Die plannen zijn echter nooit gerealiseerd. In 1972 zijn

nog enige gescheurde houten pijpen gerepareerd.

 

Na de grootscheepse restauratie van het kerkgebouw, zowel aan de buitenkant als binnen, is uiteindelijk in 2000 ook het orgel, welke nog een groot aantal onderdelen van historische waarde bevat, gerestaureerd. Deze restauratie is uitgevoerd door Elbertse Orgelmakers te Soest, en als adviseur is daarbij Dr. A. van Eck van de Katholieke Klokken- en Orgelraad betrokken geweest. In het voorjaar van 2000 is het orgel gedemonteerd en zijn de onderdelen overgebracht naar het atelier van de orgelmaker.

Aldaar zijn de windladen opnieuw verlijmd, zijn ontbrekende delen aangevuld en de naden gedicht, zodanig dat deze thans weer geheel winddicht zijn. Aan de bovenzijde van de lade en aan de onderzijde van de pijpstokken werden geweven viltringen aangebracht, zodat er geen overloop van wind meer kan plaatsvinden. Ook zijn de klassieke lederen pulpeten weer hersteld. De loden conducten, die het instrument oorspronkelijk heeft bezeten, zijn hersteld en, waar nodig, bijgemaakt.

De klaviatuur is geheel in de stijl van Elberink vernieuwd, zij het dat de toetsen van cederhout zijn gemaakt. De ondertoetsen zijn belegd met gepolijst been. De registerknoppen uit 1947 zijn vervangen door exemplaren met ingelegd porselein, in de stijl van Elberink. Zowel het houten als het metalen pijpwerk is zorgvuldig gereinigd en waar nodig hersteld. Behalve bij de Trompet 8 vt zijn alle zinken pijpen uit 1947 vervangen door exemplaren in orgelmetaal. De pijpen van de Bourdon 16’ staan weer op hun oorspronkelijke plaats. Verder is er een nieuwe laagtoerige windmachine geplaatst met geluiddempende kist. Qua uiterlijk is er een geheel nieuwe orgelkas vervaardigd, met als uitgangspunt het Elberink orgel in de St. Willibrorduskerk in Vierakker. Het front en de zijwanden van de kas zijn in eiken uitgevoerd, de overige delen in naaldhout. Tot slot is het orgel weer terplaatse op het koorzolder in de Heetense kerk gemonteerd en afgeregeld. De intonatie is herzien en zoveel mogelijk omgebogen naar het klankkarakter van Elberink.

 

  • Maarschalkerweerd orgel

In 1998 is voor in de kerk een Maarschalkerweerd orgel geplaatst, ter vervanging van het elektronische orgel. Dit orgel is in 1878 door de Fa. Maarschalkerweerd & Zoon uit Utrecht vervaardigd voor het St. Andreasklooster in Utrecht. Na opheffing van dit klooster in de tachtiger jaren werd het opgeslagen in het moederhuis van de Zusters van Liefde in Tilburg. Uiteindelijk kochten de zusters Franciscanessen in Aerdenhout het instrument in 1986, en lieten het restaureren door Fa. Adema – Schreurs te Amsterdam. Daarna werd deze geplaatst in de nieuwe kapel van het klooster ‘Alverna’ in Aerdenhout. Door bouwkundige wijzigingen van de kapel in de jaren 90 was er geen plaats meer voor dit orgel en is deze opgeslagen in de kelders van het voormalige seminarie Hageveld. En sinds 1998 staat het orgel in de Heetense kerk .

 

 

Foto van het Maarschalkerweerdorgel voorin de kerk. De fraai geciseleerde frontpijp op de hoek van de toren

 

 

 

Het is een, voor die bouwtijd, opmerkelijk instrument, geïnspireerd door de laat middeleeuwse positieven, maar dan wel in een negentiende eeuwse vertaling. In het oog springt de fraaie geciseleerde frontpijp op de hoek van de toren. Oorspronkelijk moet het orgel een dak hebben bezeten en stonden de grootste houten pijpen in de toren.

 

De dispositie van dit orgel is als volgt:

Manuaal ( C - f³ , 54 toetsen )
Prestant 8 ’
Holpijp 8’
Violin 8’  ( thans zwevend gestemd )
Dolce 8’
Roerfluit 8’
Pedaal ( C - f º ) aangehangen

 

  • Uurwerk en klokken

Vroeger dienden klokken om de mensen erop te attenderen dat het tijd was om naar de kerk te gaan. Tevens hadden mensen die op het land werkten dikwijls de gewoonte, wanneer om twaalf uur het Angelus werd geluid, het gebed ‘de Engel des Heren’ te bidden. Aan de klank van de klok kan men horen voor welke gelegenheid er wordt geluid. De lichte klok wordt gebruikt bij feestelijke gelegenheden. De zware klok is de doodsklok en wordt bij begrafenissen geluid. Wanneer de drie klokken tegelijk klinken is dit het teken van een kerkelijk feest. Een van de klokken is tevens de slagklok, en wordt door het uurwerk in werking gesteld. In 1925 werd bij gelegenheid van het 40-jarig priesterjubileum van pastoor Kleinegris door de parochianen drie nieuwe klokken geschonken, en bovendien door een milde gever een nieuw torenuurwerk. De klokken werden geleverd door de Koninklijke Klokkengieterij Petit en Fritsen uit Aarler-Rixtel. In 1944 zijn de drie klokken door de bezetters gestolen. Eind 1950 zijn hiervoor nieuwe klokken in de plaats gekomen, eveneens geleverd door Petit en Fritsen, en met dezelfde eigenschappen.

 

 

KLOK TOON DOORSNEDE GEWICHT KLOK GEWICHT KLEPEL
Maria G1 104,05 cm 714 kg 28 kg
Lebuïnus A1 92,05 cm 510 kg 20 kg
Johannes B1 82,05 cm 368 kg 14 kg

In 1978 is de luid-installatie geëlektrificeerd. En in 1980 is door de Rabobank, bij diens 75 jarige bestaan, verlichting van de wijzerplaten aangeboden. In 2002 is het mechanisme van het toren-uurwerk gerestaureerd, en voorzien van een elektrische moederklok met DCF module, waardoor het uurwerk automatisch op tijd loopt.