Het ontstaan van de parochie

Heeten in het kerspel Raalte

Het kerspel was een juridische en administratieve eenheid. Het was weer onderverdeeld in marken met als bewoners markgenoten en hofhorigen. In deze omgeving kende men onder andere het hof te Luttenberg en er zijn zelfs gegevens die het vermoeden doen rijzen dat ook Heeten een hof heeft gekend: deze zou gestaan hebben tegenover het perceel Veldeggerweg 1. Het schoutambt Raalte besloeg ongeveer de huidige gemeente Raalte en bestond uit de marken Raalterwoold, Tijenraan, Luttenberg, Pleegste en Heeten. Zo telde de marke Heeten rond 1396 slechts een tiental boerderijen met stemrecht in de Marke. In dat jaar werd de grond aan de volgende boerderijen toebedeeld, hetgeen tevens inhield dat zij stemrecht in de marke hadden: Zwaefken, Heraver, Barchhuijs, Bramhair, Schasberge, Sonnenberch, Swauekijnck, Niehoff, Loehuijs, B. Aernijnck, Vriele, die hoff te Ockenbroeck, die hoef(stede?), die olde hoff en Zijbeldijnck. Hoewel naar de mening van sommigen Heeten vroeger tot het kerspel Wesepe zou hebben behoord, zijn er sterke aanwijzingen dat dit niet het geval was.

Er is weinig bekend over het kerkbezoek in die jaren. Er zijn aanwijzingen dat er rond 1425 in Raalte een nieuwe kerk is gebouwd op dezelfde plaats als waar de kerk van Lifgerus gestaan heeft.

Uit onderzoekingen is gebleken dat deze kerk (de huidige N.H. kerk op de plas) was toegewijd aan de H. Cornelius. Het is waarschijnlijk dat in deze kerk ook de Heetenaren kerkten, alhoewel niet helemaal uitgesloten mag worden dat zij ook naar Wesepe, Haarle of Colmschate (Schalkhaar) gingen.

 

Salland als missiegebied

De Provinciaal Overste der Hollandsche Missie nam in 1629 het besluit om eenafzonderlijke zendeling voor het platteland van Salland te benoemen, met als standplaats Wijhe. Voor zover bekend kwamen in deze streken de katholieken samen op het erf Nieënhof in Heeten, het huis Joring in Raalte,  in het huis Breeënbroek in Boetele en in het huis Wieferink in Linderte.

De boerderij ‘het Nieënhof’, ± 100 jaar schuilkerk. (In 1965 door brand verwoest.)

Van het erf Nieënhof is bekend dat daar bijna 100 jaar lang ongestoord de H. Mis is gelezen, tot het jaar 1749, toen er de veepest uitbrak. De bewoner, Nijenhof, was in 1778 medeondertekenaar van het verzoekschrift waarin pastoor Nicolaas M. Pas toestemming vroeg om in Heeten en Luttenberg een zelfstandige statie op te richten. Gezien het grote aantal gelovigen (600 á 700) was destijds in Heeten al duidelijk sprake van een kerkgemeenschap.

 

Heeten als zelfstandige parochie

 

Op 13 april 1791 gaven de staten van Overijssel de Heetenaren toestemming tot het bouwen van een kerk. Met betrekking tot het benoemen van een eigen priester werd bepaald dat men een overeenkomst met de pastoor van Raalte moest sluiten. Toen een jaar later de kerk klaar was, werd aan de roomsche ingezetenen van de boerschop Heeten verlof gegeven de godsdienstoefeningen te laten verrichten door een kapelaan van pastoor Pas. Het kerkhuis van Heeten werd vanaf dat moment een bijkerk van Raalte. En dat is zo gebleven tot 7 augustus 1812.

Op deze datum richtte Nicolaas Pas op eigen gezag de statie Heeten op. Dit betekende dat Heeten eindelijk zelfstandig werd, en zijn felbegeerde eigen priester kreeg (pastoor Herfkens). De statie telde op dat moment 834 parochianen (tegenover 2.166 in Raalte).

Pastoor Pas overleed op 14 februari 1819 als een vermogend man. De statie Heeten moest vervolgens wel meteen de lening die ze van hem had genoten terugbetalen. Op 2 maart 1819 werd daarom door het kerkbestuur van Heeten aan de gouverneur van Zwolle een lening van de gemeente Raalte gevraagd. Toenop 1 juli 1824 de schulden aan wijlen pastoor Pas waren afgelost, was Heeten ook in financieel opzicht onafhankelijk van Raalte.

 

 


Dorpskern Heeten rond 1800.

Dat vervolgens Heeten niet eerder dan in 1855 een zelfstandige parochie werd, hield verband met de beperkte vrijheid van godsdienst en het feit dat Nederland officieel nog missiegebied was. In 1853 kwam daaraan een eind, en werd Nederland een zelfstandige kerkprovincie. De protestanten waren daar fel op tegen, en bundelden hun krachten in de Aprilbeweging. Voor de situatie van Heeten had dit tot gevolg dat na het overlijden van pastoor Bosch in 1853 niet meteen een nieuwe pastoor kon worden benoemd, maar een deservitor (plaatsvervanger) in de persoon van de eerwaarde heer Gerritsen. De Aprilbeweging kon echter de verzelfstandiging niet meer tegenhouden. De bisschoppen gingen hun eigen gang, en op 2 maart 1855 werd Heeten tot parochie verheven.